Elitarisme is niet de toekomst

Door Chris Julien.


Steeds meer culturele instellingen richten 'clubs’ op voor jonge begunstigers. In NRC Next van vrijdag 25 juli vroeg Jonas Kooyman zich af of deze clubs de cultuursector gaan redden. Het aantrekken van jonge, vermogende vrienden lijkt inderdaad een veelbelovende strategie voor instellingen die kampen met teruglopende subsidies en een vergrijzend publiek. Door de hoop op deze exclusieve clubs te vestigen, trapt de sector echter in de valkuil van elitarisme. De toekomst van de sector is namelijk net zo goed afhankelijk van draagvlak onder een breed publiek en de participatie van een zo groot mogelijke groep jonge mensen.


Een imposante lijst hoofdstedelijke cultuurhuizen heeft in korte tijd een vriendenclub voor jongvolwassenen ontwikkeld. Alleen al in het afgelopen jaar verschenen Young Stedelijk, Club Foam en Rijks Extra ten tonele. De gedachte achter de clubs is een geefcultuur te stimuleren onder de volgende generatie mecenassen. Naar het publiek toe worden de clubs gepresenteerd als dé kans voor jonge cultuurliefhebbers om zich te verbinden aan vooraanstaande instellingen. Aangeprezen door populaire ambassadeurs en verspreid via sociale netwerken wordt men uitgenodigd te genieten van bezoekersprivileges, exclusieve happenings en een verdiepende beleving van kunst en cultuur, in ruil voor een financiële bijdrage.

De voornaamste aantrekkingskracht van de clubs zit hem in de geboden happenings: besloten bijeenkomsten waar netwerken hand in hand gaat met het opsnuiven van cultuur, onder het genot van hapjes, drinks en dj’s. Op social media kunnen de updates en foto’s van deze happenings de gemiddelde jonge cultuurminnaar niet ontgaan. Wat opvalt is dat de deelnemers een nogal homogene groep vormen: goed geklede jonge mensen, de ene met stropdas, de andere toch op converse gympen, maar –corporate of creatief- allemaal hebben ze een duit te besteden. Zo ontstaat het beeld dat instellingen zich met hun clubs op een bepaald type jonge mensen richten; het type dat vroeger young professionals heette. Niet verwonderlijk, gezien het lidmaatschap van de clubs je in het beste geval €100 per jaar kost, oplopend tot zo’n €800.

Door zich nadrukkelijk op onze vermogende mede-millenials te richten, passeren instellingen een groot deel van de generatie, dat evengoed staat te popelen om betrokken te worden. Op het moment dat dergelijke vriendenclub het voornaamste specifieke contact met de generatie is, wordt het ‘verbinden’ van jonge, geïnteresseerde mensen gelijkgesteld aan speciale aandacht en exclusieve extra’s voor de ‘happy few’. En dat is een gemis voor velen. Het lijkt alsof onze huizen voor cultuur in hun zoektocht naar jonge bezoekers en nieuwe geldstromen hun publieke taak uit het oog verliezen, en zich daarmee verkijken op hun toekomst.

Die toekomst is immers ook de onze, een generatie die voor het merendeel wellicht minder te besteden heeft, maar uitblinkt in andere manieren van geven. Het is de generatie millennials (geboren circa 1980-1994) die opgroeide in de financiële crisis - een crisis die ook de cultuursector op zijn grondvesten deed schudden. Terwijl deze van schrik teruggrijpt naar een eeuwenoude vorm als het mecenaat, is bij de millennials een nieuwe vorm van engagement ontstaan (waar Wikipedia evenveel getuige van is als de Occupybeweging). Bij hen valt een herwaardering voor immateriële waarden samen met een bereidheid tot collaboratie en participatie bij initiatieven die hun waarden delen. Dergelijke initiatieven duiken in alle hoeken van de maatschappij op, en hebben ook binnen enkele culturele instellingen een plekje gevonden. Een voorbeeld dicht bij huis is het door ons geïnitieerde SSBA Salon van de Stadsschouwburg Amsterdam, naast initiatieven als We Are Public, EXPOSED van EYE en het Curatorial Programme van de Appel. Bij deze projecten krijgen geïnteresseerde leden van de millennial doelgroep de ruimte en de middelen om, binnen de muren van de cultuurhuizen, hun eigen programma’s, activiteiten en content te ontwikkelen.

Naast een ‘doelgroepspecifiek’ programma voor de vermogende minderheid, zouden culturele instellingen er dus goed aan doen vaker en nadrukkelijker verbindingen aan te gaan met de meerderheid van de generatie. Immers lopen sinds de crisis niet enkel publieke middelen terug, maar ook het draagvlak voor -en de legitimering van de kunsten. Het ontkrachten van een beeld van elitarisme en exclusiviteit is dan spreekwoordelijk goud waard, al is het maar om een zekere zilvergemaande politicus ongelijk te geven. Belangrijker nog is dat de contouren van een nieuw cultureel bestel besloten liggen in de aanpak van de nieuwe generatie. Ouderwetse hiërarchieën en concurrentie om een slinkende doelgroep maken daarin plaats voor netwerken van intrinsiek gemotiveerde vrijwilligers, freelancers en collectieven, die erop vertrouwen samen verder te komen dan alleen. Zodra instellingen het aandurven zich werkelijk te verbinden aan die generatie en hen ruimte bieden voor participatie, komt het met die toekomst dus vanzelf goed.


In samenwerking met Maarten Bul. Verkorte versie verscheen eerder als: 'Maak van cultuur geen dure hobby' in nrc.next, d.d. 9-8-14.

Beeld: Danaë, installatie door Vadim Zakharov. Russische paviljoen, Biënnale van Venetië, 2013.

Download het artikel hier.